Nam Noen-Vieng Kham

Advertenties
Geplaatst in Cultuur, Vervoer | 1 reactie

Gelukkig nieuwjaar!

Dat het geen spetterend oud en nieuw-feest zou worden, hadden we verwacht. Maar niet dat we om negen uur nuchter in bed zouden liggen. Wegens het omgooien van onze route en de nodige vertraging na een enkele motorreparatie, kwamen we op 31 december niet aan in het feestoord Vang Vieng, noch in het immer bruisende Vientiane, maar in het nietszeggende Nam Noen.

Ooit was dit dorp een tussenstop voor busreizen tussen Hanoi en Vientiane. De inwoners verdienden goed aan de reizigers die in Nam Noen moesten eten en overnachten. Maar sinds de bussen in een keer doorrijden, zijn de dorpelingen hun belangrijkste bron van inkomsten kwijt. Toch is het niet zo dat ze daarom harder gaan lopen als er dan wel een keer een verdwaalde toerist neerstrijkt. Het zou ook niet typisch Laotiaans zijn om dat wel te doen.

Toen we ons begonnen af te vragen of we in Nam Noen überhaupt wel konden overnachten, kwam een mevrouw aangewandeld die blijkbaar de conciërge was van een in verval geraakte guesthouse waar we stonden te wachten. Ze liet ons binnen en bracht ons naar onze kamer. Aangezien het bed er uitzag alsof de vrouw de nacht daarvoor er zelf in had geslapen, vroeg ik naar de andere kamers. Overal trof ik onopgemaakte bedden en stoffig meubilair. De badkamer – douche- en wc-hok is een betere omschrijving – was ook geen pretje. De douche deed het niet en de wc was waarschijnlijk niet schoongemaakt sinds de tijd dat de bussen nog stopten in Nam Noen.

We dropten onze spullen in de kamer en gingen op zoek naar eten. Genoeg restaurantjes in het dorp, met allemaal ongeveer hetzelfde menu. We kozen Miss Joy, vanwege de naam, maar dat hadden we beter niet kunnen doen. De eigenaresse was alles behalve vrolijk en werd nog chagrijniger van die twee toeristen die uitgerekend haar restaurant hadden uitgekozen. ‘Rijst?’, vroegen we. ‘Bo mi’ (heb ik niet). ‘Kip?’ ‘Bo Mi’. ‘Eieren?’. Had ze ook niet. Wat ze wel had, zei ze ook niet, dus bleven we gerechten aanwijzen op de kaart totdat ze ‘mi’ (heb ik) zei. Het werd een portie doorbakken rundvlees, noedels met groenten en drie gegrilde visjes. Niet slecht.

Na het eten besloten we het gezelschap van de norse Miss Joy en haar huilende kinderen in te ruilen voor een ander tentje met wat vrolijkere bediening. Toen we eindelijk de lokale hang-out hadden gevonden, bleek het bier op te zijn. Maar deze serveerster wilde wel haar best doen en haalde een fles Beer Lao bij de buren. Lauw, dat wel. Na het zoveelste potje pesten hadden we het bier eindelijk weggewerkt. Dat smaakte niet naar meer.

Toen we naar buiten liepen was het kwart voor negen. Een rondje door het verlaten dorp leerde ons dat het allang bedtijd was geweest. Dus keerden we terug naar onze guesthouse, het enige gebouw waar het licht nog aan was, dankzij een ronkende generator naast onze slaapkamer. Gelukkig ging die uit zodra we deur achter ons dicht hadden getrokken. En daarmee ook het licht. Welterusten. Oh ja, en gelukkig nieuwjaar!

Geplaatst in Cultuur, Economie, Eten, Uitgaansleven | 1 reactie

Kannen en kruiken

Het zijn er honderden, verspreid over de velden rond Phonsavan. Niemand weet waarom ze daar liggen en waar ze toe dienden. De stenen kruiken van de ‘Plain of Jars’ zijn ruim tweeduizend jaar oud, hoewel ook dat niet helemaal zeker is. Omdat sporen van bijvoorbeeld botten of etensresten ontbreken, is het moeilijk met zekerheid te meten hoe oud de gigantische potten zijn. Werd er graan in bewaard? Rijstwijn in gefermenteerd? Of waren het misschien sarcofagen? Ook dat weten de onderzoekers nog steeds niet. Daardoor voelt een bezoek aan de Plain of Jars alsof je met je eigen archeologische expeditie bezig bent. Wat het extra spannend maakt, is dat je ook heel goed moet opletten waar je je voeten neerzet, wil je niet op een van die andere dingen lopen waar de vlaktes van Phonsavan mee bezaaid zijn: UXO’s. Dat staat voor Unexploded Ordnance, oftewel: mijnen en ander oorlogstuig.

Tijdens de Vietnamoorlog is Laos in het grootste geheim zwaar gebombardeerd door de Amerikanen. De bekende Ho Chi Minh-trail, de toevoerroute van de Vietcong, liep voor een groot deel door Laos. Tussen 1964 en 1973 dropten Amerikaanse piloten meer dan 2 miljoen ton explosieven boven Laos. Daarvoor hadden de Fransen al het een en ander achtergelaten, tijdens de eerste Indochina-oorlog. Geschat wordt dat 30 procent van al die explosieven niet is ontploft. In Laos vallen dan ook nog regelmatig slachtoffers. Veel van hen zijn schroothandelaren, die grote risico’s nemen om brood op de plank te krijgen. Maar ook boeren die hun land bewerken zijn regelmatig het slachtoffer van UXO’s. MAG en UXO Lao zijn twee organisaties die al jaren gestaag werken aan het onschadelijk maken van de mijnen en andere explosieven. Maar er is nog een lange weg te gaan: UXO Lao schat slechts 0,55 procent van de explosieven te hebben opgeruimd.

In de Plain of Jars is hevig gevochten, met name door de Hmong, die bewapend werden door de Amerikanen. De omgeving is dan ook bezaaid met UXO’s. Om ervoor te zorgen dat toeristen nog wel de kruikenvelden kunnen bezoeken – de enige attractie in de wijde omtrek en dus een belangrijke bron van inkomsten – zijn de belangrijkste ‘sites’, waar de meeste kruiken liggen, UXO-vrij gemaakt. Overal liggen stenen waarvan de ene helft wit is geverfd en de andere rood. Aan de witte kant mag je lopen, dat is veilig. Maar zet een teen aan de andere kant en je bent je leven niet zeker.

Geplaatst in Cultuur, Geschiedenis | 1 reactie

Op naar Phonsavan

De weg van Paksan naar Phonsavan was volgens de kaart niet geasfalteerd, maar wel goed begaanbaar. We probeerden het na te vragen op het busstation in Paksan, waar regelmatig bussen vertrekken naar de hoofdstad van de noordelijke provincie Xieng Khuang. Maar we werden er niet veel wijzer van. Dat zou natuurlijk kunnen liggen aan het steenkolen Engels van de buschauffeurs en ons gebrekkige Laotiaans. Maar het had misschien ook te maken met de snelheid waarmee de infrastructuur verandert in Laos. Delen van het land die een jaar eerder nog volledig geïsoleerd waren, zijn nu per snelweg te bereiken. Helaas gold dat niet voor het traject waar wij ons op een zonnige ochtend in december op stortten.

Het begon goed, met een prachtige bergweg langs de rivier. Aan de steentjes op het wegdek zagen we dat het asfalt nog vers was. Enthousiast reden we er overheen, ‘oh’ en ‘ah’ roepend over het uitzicht dat we helemaal voor onszelf hadden. Als dit deel van de weg al zo goed was, zouden we zo in Phonsavan zijn. Want volgens onze reisgids was de eerste helft van de weg heel slecht, maar was het tweede deel goed te doen. Het was natuurlijk precies andersom. Na een noedelsoeplunch halverwege (of wat we toen dachten dat halverwege was), stapten we goedgemutst weer op de motor, blij dat die het al de hele ochtend had volgehouden.

Eerst was het nog leuk. De weg bleef de rivier volgen en we reden dan op de ene, dan weer op de andere oever. Steeds opnieuw moesten we het water over, en de gammele bruggetjes – als ze er al waren – leverden goede actiefoto’s op (zie hieronder). Maar geleidelijk aan werd de weg zo slecht dat we steeds langzamer moesten rijden. Stuiterend over stenen en vastlopend in los zand. Bij de zoveelste rivieroversteek raakten we de onderkant van de kettingkast kwijt. Ondertussen hadden we geen idee hoe ver het nog was.

Tot we op een stuk kwamen waar een nieuwe weg werd aangelegd. De wals was er net overheen gegaan, eindelijk even doorrijden, dachten wij. Dat hebben we geweten. Op het aangestampte rode zand lag water, maar het had net zo goed olie kunnen zijn: de weg was één grote glijbaan. En daar gingen we. Er was niets meer aan te doen, alleen maar hopen dat we goed terecht zouden komen. Want een ziekenhuis was in de wijde omtrek niet te bekennen. Bovendien, als het ernstig is, moet je naar Bangkok. En daar waren we niet bepaald in de buurt.

Wonder boven wonder kwamen we na 20 meter slippen en een flinke smak ongedeerd onder de motor (en de knalpijp) vandaan. Geen gebroken armen of benen, geen brandwonden. Geen schrammetje eigenlijk. We begonnen enigszins hysterisch te lachen, van opluchting. Toen we zeker wisten dat we allebei niks mankeerden, keken we naar de motor. Had die het overleefd? Onze Bonus zag er hulpeloos uit, op z’n kant in de rode modder. Een van de bagagerekken hing half los en er was een stuk plastic van de zijkant afgebroken. We zetten de motor weer overeind, klopten de modder eraf en maakten de bungelende backpack weer vast aan wat over was van het bagagerek. En toen reden we vrolijk verder. Want ja, hij startte gewoon. Toen we eindelijk het bordje ‘Phonsavan’ zagen, was het al uren donker en waren we helemaal verkleumd. Maar we waren er.

Geplaatst in Economie, Vervoer | 1 reactie

Afscheid

Het was goed toeven in onze bungalow in Kong Lo, maar we misten onze Bonus en waren toch wel erg benieuwd of Mister Jan zijn belofte had gehouden. Dus keerden we na vijf dagen met kloppend hart terug naar Thakek. Zou het gelukt zijn? Zou hij het weer doen? Eenmaal aangekomen bij onze Vietnamese monteur zakte de moed ons in de schoenen. De motor stond er bij zoals we hem hadden achtergelaten: in duizend stukjes. Het was duidelijk, Mister Jan had meer tijd nodig. Dus bleven we nog maar wat rondhangen in ons hostel, gelukkig met tuin en kampvuur.

Drie dagen later was het dan eindelijk zover: onze Honda was weer heel en de motor stond warm te draaien terwijl we op een voorspoedig vervolg van onze reis proostten met Mister Jan en zijn monteurs. Ik maakte furore met mijn drie woordjes Vietnamees en we kregen foto’s te zien van het gezin van Mister Jan. (Hij is getrouwd met een Laotiaanse, maar inmiddels woont zij in Vietnam met de kinderen en hij in Laos.) We waren blij om eindelijk uit Thakek te vertrekken – inmiddels synoniem voor MEGAMOTORPECH. Maar het was stiekem ook een beetje jammer om afscheid te nemen van onze gezellige garagevrienden.

Het hostel

Deze Bonus had Mister Jan nog staan, handig om onderdelen te vervangen

De motor

De monteurs van Mister Jan

Mister Jan zet nog even de spiegels vast

Geplaatst in Vervoer | Een reactie plaatsen

The Loop deel 3: de grot

Het laatste spannende onderdeel van The Loop was een bezoek aan de grot van Kong Lo. Hoewel we inmiddels al aardig wat grotten hadden gezien en verzadiging op de loer lag, konden we deze toch niet overslaan. De grot van Kong Lo is namelijk 7 kilometer lang, 100 meter breed en op sommige plekken ook even hoog. Door de grot loopt een rivier, waar je met een longtail-boot (een lange, smalle open boot met een motor) doorheen vaart. Waar het kan, gaat de bestuurder het liefst zo hard mogelijk. Op ondiepe stukken moeten inzittenden juist weer uitstappen en door het water waden. In de grot is het pikdonker. De bestuurder van de boot en zijn assistent (in ons geval vader en zoon), dragen allebei een grote hoofdlamp met de batterij om hun middel.

Van de ene naar de andere opening van de grot is het een uur varen. Dat is best lang, met natte voeten in het donker. Des te indrukwekkender is het moment waarop de eerste zonnestralen voorzichtig de grot in sijpelen, teken dat de opening nabij is. En ineens het zover: aan weerszijden van de boot geen onheilspellende rotsblokken meer, maar junglegroen en waterbuffels.

De grot is een toeristische attractie, maar gelukkig zo ver van de standaard Laos-route af, dat er maar weinig reizigers komen. Het is vooralsnog in de eerste plaats een short-cut voor de lokale bevolking, die anders kilometers moet omreizen met haar handelswaar. Ook als op sommige ondiepe stukken de boot helemaal wordt uitgeladen omdat het water te laag staat (vooral buiten het regenseizoen), zoals wij zagen gebeuren, is door de grot varen nog altijd sneller dan om de berg heen rijden, of er overheen lopen.

Onderweg naar Kong Lo

De ‘ingang’

De boot

Verlichting

Geplaatst in Vervoer | Een reactie plaatsen

The Loop deel 2: de dam

The Loop kwam er alsnog van, maar niet met onze sputterende Bonus. Die bleek toe te zijn aan een nieuwe zuiger en die moest helemaal uit Vietnam komen – in Laos rijden nu eenmaal weinig Bonussen, dus zijn er ook bijna geen onderdelen voor te vinden. Gelukkig hadden we in Thakek toevallig een Vietnamese mecanicien gekozen, Mister Jan (inderdaad, dat klinkt niet erg Vietnamees) en die ging dat allemaal voor ons regelen. Het zou alleen wel vijf dagen duren voor de nieuwe zuiger er was. Daarom besloten we een brommertje te huren bij ons hotel, om niet al te veel vertraging op te lopen op ons reisschema.

Zoals ik in het vorige bericht meldde, is ‘The Loop’ een rondje ten oosten van Thakek. Hij staat de backpackersbijbel – oftewel, de Lonely Planet – en is een must-do als je iets wilds en avontuurlijks wilt doen, vanwege één weg die zo slecht is dat je met niet meer dan 20 kilometer per uur voortploetert over grote stenen, manoeuvrerend tussen enorme gaten in weg. In de LP heet dat off the beaten track. Het is daarom juist heel erg on the beaten track, maar toch zeer de moeite waard. Want omdat iedereen een brommertje huurt en op verschillende tijden vertrekt, kom je elkaar niet steeds tegen. Ook al vertrekken al deze avonturiers vanuit hetzelfde hostel – in diezelfde reisgids sterk aanbevolen met het label ‘Our pick’ – en allemaal op een brommer van een aan het hostel verbonden verhuurder genaamd Mister Cu, die daar gouden zaken doet.

De weg voerde langs een gebied dat vroeger één en al bos was en waarin verschillende etnische minderheden woonden. Nu staat het blank, vanwege de dam. De Nam Theun 2  draait sinds maart vorig jaar. Het bos is weg, alleen de boomtoppen steken hulpeloos uit het water. Ook de mensen zijn verdwenen. Ze zijn verhuisd naar de huizen die de regering voor ze neerzette, in keurige dorpen langs de nieuwe weg. Want de oude weg, die loopt dood in het water. Het is er spookachtig mooi. Vanwege die dode bomen in het water – dat gaat kilometers door – en de wetenschap dat nog niet zo lang geleden de bomen nog groeiden en mensen het bos hun thuis noemden.

We zijn naar de dam gereden. Dat was officieel geen onderdeel van The Loop, maar we wilden met eigen ogen zien hoe groot het geval wel niet was dat inmiddels de hele omgeving en een groot deel van Thailand van elektriciteit voorziet. Het bleek een bescheiden dammetje te zijn, de natuur verricht het meeste werk. Nam Theun 2 Power Company Limited is een project van de Laotiaanse regering, het staatsbedrijf Electricité du Laos, het Franse EDF en twee Thaise elektriciteitsbedrijven. Het is grootste hydro-elektrische project in Laos tot nu toe, dat de Laotiaanse regering de komende 25 jaar ruim 80 miljoen dollar per jaar moet opleveren. Voor zo veel groene briefjes zijn natuurlijk heel wat bomen nodig, maar die zijn inmiddels allemaal verzopen.

De oude weg

De dam

Geplaatst in Economie, Milieu, Vervoer | 1 reactie